Er is in de afgelopen decennia veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit van leiderschapsgedrag. In de praktijk werd echter vastgesteld dat effectieve leiders weinig eigenschappen gemeenschappelijk hebben. Wat later verlegde de aandacht van de onderzoekers zich van de eigenschappen naar het gedrag en de stijlen van de leidinggevenden. Uit onderzoek bleek oa. dat een bepaalde stijl van leidinggeven in de ene situatie goed werkte en in de andere niet.


    Er is in de afgelopen decennia veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit van leiderschapsgedrag. Onderzoekers hebben steeds gezocht naar die eigenschappen van leiders, die hun effectiviteit bepalen.

     

    In de praktijk werd echter vastgesteld dat effectieve leider weinig eigenschappen gemeenschappelijk hebben. Wat later verlegde de aandacht van de onderzoekers zich van de eigenschappen naar het gedrag en de stijl(en) van de leidinggevenden.

     

    Uit onderzoek bleek oa. dat een bepaalde stijl van leidinggeven in de ene situatie goed werkte en in de andere niet.

     

    Daarmee verschoof de aandacht naar die situaties en omgevingsfactoren die kennelijk van belang zijn bij de verklaring van effectief leiderschapsgedrag. De situationele theorieën deden daarmee hun intrede.

     

    In vrijwel alle theorieën die zich op operationeel leiderschapsgedrag richten komen 2 elementen naar voor, namelijk:

    • De gerichtheid van de leider op de taak
    • De gerichtheid van de leider op de mens of de relatie

    Onder taakgerichtheid wordt hier verstaan: de mate waarin de leider aangeeft wat, wanneer, waar en hoe iets moet gebeuren de relatiegerichtheid geeft aan: de persoonlijke belangstelling en aandacht, die de leider voor een medewerker heeft.

     

    Paul Hersey en Kenneth Blanchard, 2 Amerikaanse wetenschappers en managementdeskundigen, hebben op basis van deze 2 elementen een situationele leiderschapstheorie ontwikkeld, die uitgaat van de medewerker.

     

    Uitgangspunt van situationeel leidinggeven is, dat een effectieve leidinggevende zijn of haar stijl van leidinggeven aanpast aan de kenmerken van de situatie. De omschrijving die Hersey & Blanchard geven aan leiderschapsgedrag luidt: er is sprake van leiderschapsgedrag als iemand in een bepaalde situatie invloed wil uitoefenen op het gedrag van een ander (of anderen) in de door hem of haar gewenste richting.

     

    Dit gedrag kan succesvol genoemd worden, wanneer het gedrag van de leider tot gevolg heeft dat de medewerkers ‘gehoorzamen’. Dit gedrag is effectief als de beïnvloeding door de ander(en) bovendien geaccepteerd en positief gewaardeerd wordt.

    Leiderschapsmodel van Hersey en Blanchard

    Het leiderschapsmodel van Hersey en Blanchard verkent 4 basisgedragsstijlen (S1 tem S4) voor leiders.

    De 4 stijlen (combinaties van wisselende maten van taak- en relatiegerichtheid) zijn:

    • RELATIEGERICHT
    • TAAKGERICHT

    Relatiegericht
    S3 Ondersteunen

    • Aangeven wat er moet gebeuren
    • Bespreken problemen van medewerker
    • Begrip tonen voor problemen
    • Problemen laten oplossen door de medewerker met ondersteuning van de leidinggevende
    • Overeenstemming over oplossingen
    • Controle achteraf
    S2 Begeleiden

    • Aangeven wat er moet gebeuren c.q. wat er fout ging
    • Medewerkers betrekken bij fout
    • Lacunes in kennis en vaardigheden achterhalen
    • Bijsturen en aangeven waarom
    • Controle afspraken maken
    • Controle achteraf
    S4 Delegeren

    • Aangeven wat er moet gebeuren
    • Bespreken van de kwaliteit en kwantiteit van het resultaat
    • Bespreken van de uitvoeringscondities
    • Bespreken van de rol en bijdragen van de leidinggevende
    • Vertrouwen uitspreken
    • Controle achteraf
    S1 Instrueren

    • Aangeven wat er moet gebeuren
    • Aangeven wie, wat, waar, wanneer en hoe
    • Voorbeelden geven, voordoen
    • Toetsvragen stellen en laten oefenen
    • Controle vooraf en achteraf
    • Vorderingen prijzen
    Taakgericht


    Uit de figuur wordt duidelijk dat iedere stijl van leiding geven wordt getypeerd door een eigen mengverhouding tussen taak- en relatiegerichtheid:
    1. S1: instruerende stijl: veel taak, weinig relatie
    2. S2: begeleidende stijl: veel taak, veel relatie
    3. S3: ondersteunende stijl: weinig taak, veel relatie
    4. S4: delegerende stijl: weinig taak, weinig relatie

    Deze stijlen omschrijven het concrete gedrag van de leidinggevende. Niet datgene wat de leidinggevende in zijn of haar hoofd heeft, maar datgene wat de leidinggevende doet in de perceptie van de medewerker bepaalt in hoeverre de medewerker zich laat beïnvloeden.

    Aanpak

    • Offline of klassikale training
    • Online training (TEAMS)
    • Persoonlijke coaching
    • Inspiratiesessies
    • Blended opleidingstraject

    Blijf altijd op de hoogte!

    Schrijf je in op onze Trixolutions Nieuwsbrief